Addo ligt in de Oost-Kaap, vlak bij Gqeberha (voorheen Port Elizabeth), aan het einde van de beroemde Tuinroute. Het is het op twee na grootste nationale park van Zuid-Afrika en groeide van een klein olifantenreservaat uit tot een gevarieerd gebied dat van halfwoestijn tot kust reikt.
De grote pluspunten: het is malariavrij, uitstekend geschikt voor een self-drive, en het herbergt de unieke “Big Seven”, de Big Five plus walvis en witte haai voor de kust. Daarmee is het een ideale, ontspannen afsluiter na de Tuinroute.
Het park begon in 1931 met slechts elf olifanten en telt er nu ruim 600. Je ziet ze vaak in grote kuddes rond de waterpoelen, een van de betrouwbaarste olifantenwaarnemingen van heel Afrika.
Addo is een jaarrond-bestemming. Het gematigde Oost-Kaap-klimaat kent geen extreme droogte of hitte, en olifanten zijn in elk seizoen goed te zien.
De winter (mei–september) is droger en iets beter voor algemene wildlife; de zomer is groener en warmer. Combineer je met walvis kijken langs de kust, dan is het seizoen ongeveer juni tot november.
De combinatie van klassieke safari en kustactiviteiten maakt Addo veelzijdiger dan de meeste parken.
Er is een SANParks-rustkamp met chalets en kampeerplekken binnen het park, plus diverse privélodges eromheen. Prijzen lopen uiteen van betaalbaar tot luxe.
Door de ligging aan de Tuinroute combineer je Addo eenvoudig met Gqeberha, de kust en de wijnlanden verderop.
Addo werd in 1931 opgericht om de laatste olifanten van de Oost-Kaap te redden, er waren er nog maar elf over na jarenlange jacht. Het herstel tot ruim 600 dieren geldt als een van de grote successen van het Zuid-Afrikaanse natuurbehoud.
Het park is sindsdien fors uitgebreid tot een gebied dat vijf van de zeven Zuid-Afrikaanse biomen omvat, inclusief een marien beschermd deel voor de kust.